Citaat van de week: It was very good of God to let Carlyle and Mrs Carlyle marry one another, and so make only two people miserable and not four (Samuel Butler)
Jos Joosten: kruistocht tegen foute schrijfsters
Schrijver(s) Jos Joosten
Gepubliceerd in de Volkskrant 12 mei 2012
Datum gepubliceerd 12-05-2012

Het heet wel eens de drogreden van de stroman: je maakt een karikatuur van iemand anders redenering zodat je hem daarna in één beweging kunt afserveren. Die drogreden lijkt op het ad hominem argument, waarbij je op de man speelt in plaats van op de bal. Het zijn de favoriete wapens van Jos Joosten bij zijn kruistocht in Staande Receptie, een boek over literaire kritiek. Zijn slachtoffers zijn drie vrouwen: Renate Dorrestein, Connie Palmen en Elsbeth Etty.

 

Dorrestein schreef bijvoorbeeld dat recensenten smetvrees voor engagement hebben en aldus voorbij gingen aan de kern van romans van Marja Brouwers en Herman Franke. Dat had ze niet mogen zeggen, want het woord kern ‘suggereert’ volgens Joosten dat je een boek maar op één manier mag lezen en daarom is Dorrestein ‘welbeschouwd een ouderwetse, autoritaire literatuurbeschouwer met de eigen waarheid als absolute waarheid.’ Streng eist hij vervolgens ‘een eenduidige definitie’ van engagement en wrijft hij haar, met recht overigens, ‘het onvolledig weergeven van andermans woorden’ aan. Haar stelling zelf is dan inmiddels op de achtergrond geraakt, terwijl die vraag naar engagement in de kritiek best interessant is.

 

Bozer is Joosten op Connie Palmen. Zij hield een inderdaad wat naïef pleidooi voor ‘hoge literatuur’ en die elitaire houding druist in tegen Joostens geloof. Nadat hij in een interview een citaat opduikelt waarin Palmen ‘de academische ernst’ niet zegt te schuwen, verheft hij haar meteen tot literatuurwetenschapper en neemt haar de maat. Ze heeft geen probleemstelling, geen ‘acceptabel notenapparaat’, geen literatuurlijst en ze definieert haar begrippen niet, iets waar Joosten vaker over klaagt, al laat hij het zelf consequent achterwege.

 

De Nijmeegse hoogleraar beschrijft zijn eigen aanpak in het begin van Staande receptie zonder valse bescheidenheid als een ‘serieuze, literair-wetenschappelijke benadering’. In die wetenschappelijke benadering past kennelijk het verwijt van ‘totale onzin’, van een ‘grieperige’ stijl; wat Connie Palmen schrijft is ‘natuurlijk een beetje dom’, zij is ‘ofwel kwaadwillend of definitief geestelijk van het paadje geraakt.’ De serieuze literair-wetenschappelijke benadering doet hem zich ook afvragen hoe je een ‘platitude’ als die van Palmen ‘anno 2009 nog met een droge pantalon durft op te schrijven.’ Ik ken de uitdrukking niet, zou het een vakterm zijn?

 

Ik voel veel sympathie voor Joostens verlangen naar polemiek. Maar wanneer hij Connie Palmen ook nog subsidie van het Fonds voor de Letteren en de Koninklijke Vereniging van het Boekenvak aanwrijft, plus een dt-foutje en een verkeerd jaartal, bekruipt je het vermoeden van een soort kwaadsappigheid dat de ‘wetenschappelijke benadering’ ontstijgt. Het verwijt van spelfouten is trouwens altijd een beetje link en inderdaad vliegen er verdorie wat later ‘geallieerde bomenwerpers’ door het proza van Joosten.

 

Elsbeth Etty is het derde slachtoffer van Joostens toorn. Zij is geen stroman, want ze is naast recensent van NRC Handelsblad bijzonder hoogleraar literaire kritiek aan de VU. Zij publiceerde een half jaar geleden een jubileumboekje van zo’n 90 bladzijden over kritiek. Etty’s slordig gebruik van cijfers en haar morele zelfgenoegzaamheid worden door Joosten genadeloos gefileerd.  En haar door hem ontdekte plagiaat wordt met zichtbaar genoegen aan de kaak gesteld, al vraag je je hier wel af wat met dit stuk precies wordt beoogd. Gaat het Joosten om het vereffenen van een rekening, om karaktermoord, polemiek of nog steeds om serieus literair-wetenschappelijk onderzoek?

 

Hij suggereert het laatste, maar wetenschappelijk wordt zijn betoog zelden. Joostens boek - boekje zou hij zelf schrijven – bevat nogal wat (staat tjokvol met) onnauwkeurigheden en verdraaiïngen die de hoge toon waarop hij anderen de les leest kolderiek maken. Zo verwijst hij naar ‘een onderzoek uit 2008’ onder abonnees van de Volkskrant en NRC Handelsblad en geeft keurig een noot aan het eind van de zin. Wie deze noot 15 echter opzoekt, treft geen bronvermelding aan, maar wordt verwezen naar noot 21 van hoofdstuk 5, om daar de opmerking te vinden dat er niet ‘veel concreet cijfermateriaal is [-] omtrent aandacht van krantenlezers voor specifiek de boekenbijlages’.

 

Zijn op zich interessante, maar rommelig behandelde vraag, of recensies invloed hebben op lezers en schrijverssucces, mondt na wat willekeurige cijfers uit in de conclusie, dat ‘verkoopsucces en aandacht in de kwaliteitspers elkaar in elk geval niet uitsluiten en tot op bepaalde hoogte zelfs gelijk opgaan.’ Dus als Connie Palmen of Renate Dorrestein succes hebben, kan Joosten op grond van zijn ‘onderzoek’ niet uitsluiten dat hun boeken ook uitvoerig in de pers zijn besproken. Tot op bepaalde hoogte.

 

Joostens verlangen naar ‘doorslaggevende bewijzen op basis waarvan [iets] objectief gesteld kan worden’ is naïef, zijn redeneringen zijn onhelder en omslachtig. Veel recente discussies over kritiek zijn aan hem voorbijgegaan, zoals het overal besproken The Death of the Critic van Rónán McDonald, dat Joostens benadering van literatuur aanvalt. Staande receptie opent en sluit om onduidelijke redenen met motto’s ontleend aan Rorate caeli, regels behorend tot de adventtijd in de katholieke liturgie. In de literatuurlijst staat een geschrift dat ook te vinden is in het boek dat eronder wordt genoemd. Van hemzelf. Hij valt een poëziekritiek van de Vlaamse dichter Luuk Gruwez aan door diens eigen dichtbundels erbij te betrekken.

 

Zijn stuk over kritiek op internet begint met een geruststellende constatering van zijn eigen promovendus Jeroen Dera: ‘Anno 2012 kun je niet zeggen dat het werk van […] Joosten achterhaald is geraakt.’ Wie zich op die manier lof toezwaait, maakt een karikatuur van zichzelf. En academisch of wetenschappelijk zou ik zijn werk niet snel noemen, al krijgt dit onderzoek de Connie Palmen niet gegunde subsidie, in dit geval van NWO, de oppermachtige Nederlandse stichting voor Wetenschappelijk Onderzoek. Ik gun Jos Joosten nog jaren die subsidie, alleen heb ik niet eerder een boek van een literatuurwetenschapper gelezen, waaruit zo weinig liefde voor literatuur spreekt en zo veel haat en verbittering jegens degenen die daar op een bevlogen manier over proberen te schrijven.

 

Jos Joosten: Staande receptie. Vantilt, 175 pagina’s, € 14,95.