Citaat van de week: We zijn allemaal sterk genoeg om de ellende van anderen te doorstaan (La Rochefoucauld).
Bernard Mandevilles De wereld gaat aan deugd ten onder
Schrijver(s) Bernard Mandevilles
Gepubliceerd in de Volkskrant 5 mei 2006
Datum gepubliceerd 05-05-2006

Al vijftien jaar viert de markt hoogtij. Zelfs geharnaste sociaaldemocraten uit de paarse kabinetten verkochten wat ze konden om na hun aftreden bij een bank te gaan werken of een paar commissariaten op te strijken. De gezondheidszorg is inmiddels in handen van verzekeringsmaatschappijen, de energiebedrijven zijn geprivatiseerd, Schiphol moet naar de beurs, sociale uitkeringen, openbaar vervoer en toezicht in de openbare ruimte worden uitbesteed, parkeerwachten zijn particulier en het door de politiek aan zichzelf overgelaten onderwijs raakt steeds meer in de greep van commerciële uitgevers.

De neoliberale zegetocht wordt gedragen door een blind geloof in wat de achttiende-eeuwse filosoof en econoom Adam Smith ooit de Invisible Hand noemde. Hij veronderstelde dat een onzichtbare hand de economische ontwikkelingen de goede kant opstuurt en ons geluk zal brengen, zolang je die ontwikkelingen tenminste maar hun gang laat gaan. Het geloof valt reeds terug te vinden bij de filosoof en dokter Bernard Mandeville (1670-1733). Zijn werk had invloed op Adam Smith, al verwierp deze grondlegger van het liberalisme de cynische veronderstelling, dat juist ondeugden en wangedrag de motor vormden van de economie.

Mandeville baarde destijds opzien met zijn onlangs in vertaling verschenen De fabel van de bijen. In het leerdicht waarmee deze opstellen beginnen legt hij uit, hoe rampzalig het zou zijn als iedereen eerlijk werd. Als je namelijk beter naar een bijenkorf kijkt, zie je hoe het nijvere volkje zich steeds verdringt, en hoe elk individu uit eigenbelang handelt. Bij mensen is het niet anders, en wie van de kansel luid het bedrog aanklaagt, is meestal zelf een schurk, ‘een handschoenenmaker die lamsleer voor geit verkoopt’.

Dat is trouwens helemaal niet erg, schrijft Mandeville, want eerlijkheid is funest voor de samenleving. Als je van iedereen op aan kan, is het einde nabij. Om te beginnen zijn rechtbanken dan niet meer nodig, evenmin als advocaten, klerken, wapensmeden, slotenmakers, cipiers en soldaten. Niet alleen zij worden daarom werkeloos, ook de geestelijken die merken dat ze overbodig zijn zullen zich terugtrekken, een rotopmerking die flink aankwam bij de kerkelijke autoriteiten.

                En zo gaat het door, als de eerlijkheid zou zegevieren. Ambtenaren hoeven dan niet meer eindeloos verplichtingen en gunsten door te schuiven en wanneer de oneerlijke verschillen in welstand ophouden te bestaan, zullen lakeien en koetsiers verdwijnen. Binnen de kortste keren heerst er werkeloosheid, leegstand, algehele verwaarlozing en armoede. Inwoners emigreren en een buitenlandse mogendheid zal de verzwakte staat binnenvallen en onderwerpen. Dus laten we een beetje voorzichtig zijn met al die moralistische praatjes van puriteinen en achttiende-eeuwse Balkenendes, lijkt Mandeville te willen zeggen.

Hebben de luxe van koffie en thee, vraagt hij zich in een ander opstel af, en de verslaving aan tabak, geen gunstige invloed op de economie? Om van stomdronken zeelieden nog maar te zwijgen, die in hun onoplettendheid een schip doen vergaan zodat weer nieuwe aanvoer nodig is, met nieuw gebouwde schepen, wat voor heel wat werk en welvaart zorgt?

Dat gaat een beetje ver, zeker wanneer hij ook nog wijst op de voordelen van de Grote Brand in Londen. Maar wanneer hij in een ander opstel de rage bespot om uit publiekelijk beleden menslievendheid armenscholen op te richten, constateert hij overtuigend dat ‘trots en ijdelheid meer ziekenhuizen hebben gebouwd dan alle deugden bij elkaar.’

Zijn strijd tegen die scholen, waar arme kinderen en wezen onderwijs kregen van kerkelijke liefdadigheidsorganisaties, is op het eerste gezicht weinig sympathiek. Hij vindt dat die kinderen moeten gaan werken, want als ze iets leren worden ze te slim en stellen ze te veel eisen, terwijl de economie nu eenmaal veel domme krachten nodig heeft, die de boel niet frustreren door kritische vragen stellen. ‘Zou een paard evenveel weten als een mens,’ aldus Mandeville, ‘dan zou ik niet de wens hebben zijn bereider te zijn.’

Waar hij dan ook nog pleit tegen vakbonden en voor lage lonen om de concurrentiepositie met het buitenland te verbeteren, wordt hij een voorloper van het harteloze liberalisme, dat wereldwijd het denken over economie en politiek weer in toenemende mate beheerst. Toch is hij in zulke opstellen misschien eerder bezig de puriteinen te sarren, zijn bigotte tijdgenoten die in vroomheid publiekelijk tegen elkaar opboden om goed te doen. Dat blijkt vooral uit een in deze uitgave toegevoegd opstel, waarin Mandeville een pleidooi houdt voor staatsbordelen. Plotseling is er een uitgesproken verdediger van sociale voorzieningen en staatsbemoeienis aan het woord.

Opnieuw zijn hier hedendaagse argumenten te herkennen in de discussie over prostitutie. Wanneer men de prostitutie zou reguleren en medisch toezicht in zou stellen, zouden de (toen nog moeilijker te bestrijden) geslachtsziekten kunnen worden beperkt. Door de hoerenloperij uit de illegaliteit te halen zou men bovendien veel criminaliteit kunnen voorkomen, ook jegens de betreffende vrouwen. Moeten al die zedenprekers daar niet eens goed over nadenken, net als over het feit dat bij legale prostitutie menig jongeman niet meer zo onbesuisd het huwelijk instapt, met alle frustraties en problemen van dien?

Laten we verder niet vergeten dat de klassieke filosofen, op wie we ons in ethische kwesties altijd graag beroepen, er veel wildere ideeën op nahielden. Mandeville haalt om te beginnen Plato aan, ‘ons grote voorbeeld van kuise liefde’. ‘De Goden hebben,’ aldus deze antieke wijsgeer, ‘ons één ongehoorzaam en onhandelbaar lid gegeven, dat wild en fel wordt zoals een begerig en uitgehongerd dier dat voedsel wil hebben, totdat het de vrucht van de gemeenschappelijke dorst heeft geabsorbeerd en de bodem van de schoot overvloedig heeft besprenkeld en bedauwd.’ Waarna nog een reeks voorbeelden volgt van filosofen, die gedreven door wat zo mooi ‘de zoute jeuk in hun broek’ wordt genoemd, er op los hoereren bij man en vrouw, tot en met de ascetische stoïcijnen aan toe.

Zou het iets met Mandevilles Nederlandse afkomst te maken kunnen hebben, dat hij een ongebruikelijk pleidooi houdt voor gedogen en voor het reguleren van elders moreel ontoelaatbaar gedrag, zoals dat vandaag de dag spreekt uit de abortus- en euthanasiewetgeving en uit het Nederlandse drugsbeleid? Want Mandeville werd in Rotterdam geboren en studeerde in Leiden. Hij week pas naar Londen uit toen hem het werken onmogelijk werd gemaakt omdat hij zich al te vrijpostig in het openbaar had uitgelaten. In het buitenland heet Mandeville gewoon een Nederlands filosoof, hier ziet men hem het liefst als Engelsman. Spinoza wordt in dit land een Portugese jood genoemd, Moleschott een Duitser.

Aan het eind van de Maand van de Filosofie zou je het licht vergeten, maar tot voor kort was filosofie hier iets om je voor te schamen. Zoals syfilus door Engelsen vroeger the French disease werd genoemd en door Fransen la maladie anglaise, zo hebben Nederlanders van hun filosofen telkens buitenlanders gemaakt. Het was een Engelsman, de in Rotterdam werkzame filosoof M.J. Petry, die een aantal jaar geleden het initiatief nam tot een mooie twintigdelige uitgave van Nederlandse filosofen. Deze boeken zijn inmiddels alleen nog in het antiquariaat te vinden. De in het Engels publicerende Mandeville ontbrak overigens in die reeks, net als Spinoza. Misschien is hij helemaal niet zo Nederlands, al is het niet ver gezocht hem in de traditie van Erasmus te plaatsen.

Bij Erasmus valt immers een zelfde neiging tot satire te bespeuren en hetzelfde wantrouwen tegenover een geestelijkheid die anderen in het openbaar de wet voorschrijft. De voormalige stadsgenoot is even sceptisch jegens het schermen met deugden van Grote Mannen. Mandeville vergelijkt zulke morele eigenschappen in een niet in deze vertaling opgenomen essay met de dure Chinese vazen die toen in de mode kwamen. ‘Ze zien er prachtig uit,’ schreef hij, ‘en ze zijn zelfs op een schoorsteenmantel heel decoratief. Door hun omvang en door de waarde die aan hen wordt toegekend zou je denken dat ze erg nuttig zijn, maar kijk in duizend van die vazen en je zult niets anders vinden dan stof en spinnewebben.’

Of Mandeville de grootste, of althans de origineelste denker is die ons land heeft voortgebracht, zoals de liberale Frits Bolkestein beweert, valt te bezien. Zeker wanneer we hem met Spinoza, Buridan, Hugo de Groot, Erasmus en Coornhert laten concurreren. De retoriek van Mandeville is vermakelijk, alleen filosofisch niet altijd even substantieel. Hij is meer uit op relativering van ethische en politieke overtuigingen, dan dat hij eens zijn tanden zet in politiek filosofische dilemma’s die bijvoorbeeld uit het werk van Hobbes en Locke tevoorschijn waren gekomen.

De kwaden die Mandeville bewierookt stammen uit een doelgerichte woordkeuze. Stel dat de economie oververhit raakt en er minder geleend en meer gespaard moet worden. Mandeville prijst dan de gierigheid, niet de zuinigheid. Spaart men te veel, hij zou de lof van de spilzucht zingen en niet die van de gulheid, zoals concurrentie bij hem geen ondernemingszin heet maar jaloezie en geldingsdrang.

Mandeville getuigt eerder van het achttiende-eeuwse optimisme van Adam Smith of van die heel andere tijdgenoot, de metafysische reus Leibniz. Deze Duitse filosoof geloofde ook in een hogere harmonie, in een van nature of door God gegeven zinvolle samenhang. Er was het intellectuele geweld van een Voltaire voor nodig, en het politieke geweld van de Franse Revolutie, om te laten zien hoe weinig houdbaar zulk optimisme is.

Die dynamiek keert telkens terug. Eind jaren negentig was het vertrouwen in de onzichtbare hand van de markt wereldwijd op zijn top. Maar aanslagen, een nieuwe politiek van de Verenigde Staten, een inzakkende economie, klimaatverandering en een politieke crisis in Europa ondermijnden dat geloof. Het komt niet per se goed als je de ontwikkelingen hun gang laat gaan.

Je kunt klagen dat er in De wereld gaat aan deugd ten onder veel ontbreekt en dat het rijmende gedicht over de bijenkorf in proza is vertaald, dat nogal slap overkomt. Het zou van zuinigheid getuigen, die je met de retorische souplesse van Mandeville natuurlijk rechtvaardige strengheid zou kunnen noemen. Tegelijkertijd heeft de bezorger er goed aan gedaan om het pleidooi voor openbare bordelen toe te voegen en een opstel dat uitlegt dat niet alle gebeden kunnen worden verhoord. Want een alleraardigste jonge Engelsman smeekt in Den Briel radeloos om oostenwind die hem naar zijn stervende vader kan voeren, terwijl een Britse minister even radeloos op westenwind wacht om van Harwich naar Duitsland te varen voor een belangrijke zitting van de Rijksdag. Niet iedereen kan tegelijkertijd worden geholpen, wist dokter Mandeville.

Bovendien vind je in deze uitgave verbluffend actuele observaties. Zo moppert hij op het verzet tegen immigranten. De komst van buitenlanders, schrijft Mandeville, is een natie eerst tot last, zoals pas geplante bomen grond in beslag nemen die je op een andere manier zou kunnen gebruiken. Ze leveren geen winst op voor iemand die ze plant, ‘maar zijn nageslacht verdient dan vaak tien pond voor elke zes stuivers die hij er aan uitgaf.’

Bernard Mandeville: De wereld gaat aan deugd ten onder. (Vertaling en toelichting Arne C. Jansen) Lemniscaat, 308 blz.