Citaat van de week: We zijn allemaal sterk genoeg om de ellende van anderen te doorstaan (La Rochefoucauld).
H.H. ter Balkt tussen Normaal en Hoelderlin
Schrijver(s) H.H. ter Balkt
Gepubliceerd in NRC Handelsblad 4 september 1998
Datum gepubliceerd 04-09-1998

Er zijn de laatste jaren steeds meer dichters die op niemand lijken. Maar het meest op niemand lijkt H.H. ter Balkt. Hooguit heeft hij wat weg van de tot in de jaren zeventig publicerende Habakuk II de Balker. Dat is geen wonder, want dat is het pseudoniem waaronder Ter Balkt begon. Ik kan me voorstellen dat hij na enige tijd genoeg kreeg van een dergelijk pseudoniem; het is een beetje oubollig en net wat te ironisch.

            Toch schuilt in deze naam al het programma dat Ter Balkt tot zo'n onverwisselbaar en uniek dichter maakt. De duistere profeet Habakuk staat dan voor de bezwerende en vermanende toon die in dit werk telkens opklinkt. De volgens de encyclo­pe­die vermoedelijke verwantschap van de naam Habakuk met het Assyrische hambaku­ku, een tuingewas, duidt dan op het plattelands­ka­rakter van Ter Balkts poëzie, waarin aardappels, bieten en duivelsnaaigaren geregeld een vrucht­bare bodem vinden. En de Balker ten slotte verwijst niet alleen naar zijn werkelijke naam, maar uiteraard ook naar het gebalk van een ezel, zodat de verheven profeet zijn preken met de meest platvoerse en stompzinnige uitroepen kan doorspekken, luid en ongepast als van een Tourette-patiënt.

            De onlangs verschenen bundel Tegen de bijlen. Oden en Anti-Oden is in die zin weer een echte Ter Balkt: een breugheliaans mengsel van flarden uit de Oudheid, bedekte maatschappijkri­tiek, arcadische tafereeltjes, ongerich­te boosheid, oude popmuziek, klassieke kunst en herinne­ringen, dit alles getoon­zet in een romantisch-profetisch idioom met laagbijdegrondse details. De kracht van deze poëzie ligt soms in een verrassend raak beeld, zoals in de Ode aan de leilinden en de lindeboom, met 'de solitaire linde / waardoorheen de meikevers in hun botsautootjes // snorden en tikten.' Prachtig, omdat de vorm en glans van meikevers inderdaad zo met ronde botsautootjes overeen­komen, en verder omdat dat geluid erbij komt ('snorden en tikten'), waardoor als neveneffect kermis­lawaai even madurodam-achtige, bijna tedere trekjes krijgt terwijl omgekeerd de kevers een kermisattractie worden.

            De kracht en het onverwisselbare van Ter Balkts gedichten zijn ook te danken aan het feit, dat hij aan zijn beschrijvingen van de wereld voortdu­rend een waardering verbindt. Vandaar dat het om oden gaat, lofprij­zingen dus, of anti-oden - een soort vervloekingen. Wat in deze poëzie verschijnt is warm of koud, goed of slecht, zelden grijs of lauw. Neem die regels in het openingsgedicht, het overigens nogal duistere Aan de infra­structuren. Het is een soort landschapsbeschrijving. Daarin 'roeit de murwheid zijn boot met twee spanen / naar de eeuw aan de horizon, over de droge // knoken van Creutzfeldt-Jakob'. De door de gekkekoeienziekte aangetaste plattelandsidylle gaat even later als volgt verder:

 

            (...) Uit de mist loeiden pretparken harder

            en brullender, tot hun ramshoorn wegzwierf

 

            als de kometenstaart. In de XTC-farms koud

            als de lichten van Bruxelles-Nord, ver onder

            opstijgende sneeuw op de vleugels van Alitalia

            waren hun korrels de nalatenschap van Rome.

 

Een prettig sarcasme spreekt uit zulke regels, al weet ik niet zeker of ik die laatste woorden snap. Zijn die korrels XTC-pillen, of slaat dat 'hun' ergens anders op? Is de house-cultuur volgens Ter Balkt een uitloper van de romeinse beschaving? Wie het weet mag het zeggen. Wat mij wel opvalt, is dat veel verzen in deze bundel iets met Rome te maken hebben en dat dit niet de meest toegankelijke zijn.

            Blijkens de Verantwoording achterin de bundel zijn deze gedichten te danken aan een reisbeurs. Dat Ter Balkt een reisbeurs verdient staat buiten kijf, maar men had hem niet naar Rome moeten laten afreizen, geloof ik. Want wat gebeurt er? De dichter ziet er de Mozes van Michelangelo in de San Pietro in Vincoli en schrijft er een vers over. En hij dicht een Ode aan de nachthemel boven Rome waarin Bernini's beitel valt te horen 'op dat plein met de vier // stromen', hij staat stil bij een schilderij in Rome van Barbieri en wekt bij een ander gedicht, over een scharensliep, opnieuw de indruk dat ik iets mis omdat ik het Piazza della Rotonda niet ken.

            Op zichzelf is dat niet zo'n punt, ware het niet dat Ter Balkts poëzie in het algemeen een wat duistere indruk achterlaat. Ten eerste maakt ze aan­spraak op een ruime belezenheid. Ik heb op zich niks tegen erudiet opge­tuigde gedichten, zolang die maar niet meer kennis veronderstellen dan ik toevallig heb. Verder staat deze poëzie in een traditie van dichters als Ezra Pound, die de gevaarlijke combinatie van een hermetische met een associatie­ve werkwijze niet schuwt. Voor mij hoeven gedichten niet als jonge sla in bedjes te staan, maar een en al hambakuka is het ook niet helemaal.

            En nu zolangzamerhand toch het germaans gebrom van de bard uit Nijmegen zich van mij meester maakt: waarom neemt Ter Balkt gedichten uit vroegere bundels weer in vrijwel ongewijzigde vorm op in Tegen de bijlen? Verzen als De houtkist en De dorsmachine waren eerder al te vinden in zijn uit 1975 stammende bundel Oud gereedschap mensheid moe (mooie titel trouwens). Of is voor hem Habakuk II de Balker, die deze gedichten schreef, echt een ander? Dat lijkt link: voor je het weet word je vervolgd door een balkende profeet op beschuldiging van plagiaat.

            Niettemin mag deze poëzie er zijn. Ik houd van zo'n botanische ope­ningsregel als 'Lof Ere Prijs Ende Glorie' en moet erg lachen om een als motto gebruikt citaat uit een Wandeling rondom een brouwerij waarmee het gedicht Rondom Vaticaanstad begint: "langs de muur en linksaf langs de muur en linksaf langs de muur en linksaf langs de muur". Dan ben je namelijk weer bij jezelf. Ter Balkts poëzie, die zo wonderlijk zwenkt tussen muziek van de popgroep Normaal en gedichten van Hölderlin, bezweert en appelleert. Soms door zijn verholen engagement, dan weer door zijn overvloed aan gebie­dende wijzen, en af en toe toch ook door zijn directheid, als in het stevige titelge­dicht, Ode aan de triomfzang tegen de bijlen:

 

            Door de rondvliegende spaanders zien wij het bos niet meer

            Eens, op de planeet, toen het later was dan na middernacht

            klink nog helder op, triomfzang tegen de bijlen nog laat aan het werk

            klink op, zangen in de keel al bijna door stikstof omgebracht

 

 

H.H. ter Balkt: Tegen de bijlen. Oden en Anti-Oden. Uitg. De Bezige Bij 1998