Citaat van de week: Morals are private. Decency is public. (Rita Mae Brown)
Gullivers reizen: Mensen zijn nog erger dan Yahoos.
Schrijver(s) Jonathan Swift
Gepubliceerd in Trouw 13 mei 2006
Datum gepubliceerd 13-05-2006

Een mensenvriend kun je Swift niet noemen als je De reizen van Gulliver uit hebt. Enige afstand tot de bewoners van zijn eigen land was hem althans niet vreemd. In de verre streken waar de titelheld aanspoelt valt een vergelijking met de wezens die daar leven zelden uit in het voordeel van de blanke, beschaafde mens.

En dat terwijl de eerste helft van de Engelse achttiende eeuw juist blaakte van het zelfvertrouwen. Men waande zich in een bloeitijd die zich liet vergelijken met die van de Romeinse keizer Augustus en sprak daarom van de Augustan Age. Dan kan satire niet uitblijven.

Natuurlijk hebben de gastvrije Lilliputters uit het eerste deel ook hun gebreken. Deze wezentjes intrigeren en lasteren net als gewone mensen. De keizerin is verontwaardigd dat Gulliver een paleisbrand heeft geblust door op haar vertrekken te urineren. En hij eet te veel. Hele kuddes vee verzwelgt hij, honderden Lilliputters zijn dagelijks bezig hem te voeden en te kleden. Op het laatst willen ze van hem af. Maar zo gauw Swift hun dwaasheden begint te beschrijven voel je aan je water dat het eigenlijk over Engeland gaat.

De reuzen in Brobdingnag uit het volgende verhaal hebben ook een paar menselijke trekjes behouden. De adel wil de macht, het volk vrijheid en de koning alleenheerschappij. Als de koning echter van Gulliver hoort hoe de rechtspraak in Engeland gebaseerd is op het uitwisselen van halve waarheden, en wanneer Gulliver hem het enorme voordeel van buskruit schetst, kan hij zijn afgrijzen van die zich mens noemende onderkruipsels nauwelijks verbergen.

De wezens die Gulliver op zijn derde reis tegenkomt wonen op eilanden met exotische namen als Balnibarbi, Glubbdubdrib en Luggnagg. Zij zien er uit als als mensen en het is vast geen toeval dat zij veel stompzinniger zijn dan de reuzen en Lilliputters. Ze houden van wiskundige speculaties en vergeten praktische zaken als landbouw. De Academie van Wetenschappen onderzoekt er hoe je van uitwerpselen weer voedsel kunt maken.

Maar Swifts misantropie komt het onverbloemdst tot uiting in het laatste deel. Door een muitende bemanning is Gulliver op een onbekend strand afgezet. Al snel wordt hij lastig gevallen door weerzinwekkende, stinkende beesten die in de ogen van anderen verrassend veel lijken op Gulliver. Die anderen zijn met rede begiftigde paarden, de Houyhnhnms, edele dieren die het in dit land voor het zeggen hebben.

Omdat Gulliver blanker is dan de verachtelijke Yahoos, kleren draagt en de taal van de Houyhnhnms leert, meent hij enige tijd op voet van gelijkheid met hen te kunnen verkeren. Gesprekken met de wijze paarden helpen hem spoedig uit de droom. Hij vertelt op hun verzoek over zijn land, de oorlogen die er gevoerd worden, de politiek en het recht, wat niet makkelijk is want de taal van de Houyhnhnms kent geen woord voor liegen en onwaarheid, zodat hij zich moet bedienen van de uitdrukking ‘het ding dat niet is’. Gulliver roept met zijn verslag verbijstering op: mensen zijn erger dan Yahoos, want ze zijn niet alleen slecht, ze beschikken bovendien over verstand om die slechtheid in praktijk te brengen.

Op zulke momenten komt Swift op dreef. Sommige toespelingen op de toenmalige actualiteit zijn zonder notenapparaat misschien niet te vatten, maar er blijft genoeg over. Zo beschrijft Gulliver de enorme luxe in zijn land: als je een beetje behoorlijk gekleed gaat hebben wel honderd mensen aan die kleren het hunne bijgedragen. ‘Voor het bouwen van mijn huis waren nog eens zoveel mensen nodig geweest, en vijfmaal dit aantal om mijn vrouw op te smukken.’

Ondanks die laatste zin hoeft de vrijwel exclusief op gender en antikolonialisme gerichte literatuurwetenschap van onze tijd niet van Gulliver’s Travels te schrikken. Want de wijze Houyhnhnms vinden het monsterlijk de vrouwtjes een andere opvoeding te geven dan de mannetjes, waardoor ‘de helft van onze inwoners uitsluitend goed was voor het ter wereld brengen van kinderen.’ Ook de sarcastische lof van Gulliver op het kolonialistische beschavingsoffensief van het Britse volk past keurig in hedendaags universitair onderzoek.

Thuisgekomen koopt Gulliver twee jonge hengsten die hem ‘redelijk goed begrijpen’, maar het duurt nog jaren voor hij weer mensen in zijn omgeving verdraagt en met zijn eigen vrouw aan één tafel kan eten. Een lange tafel, en beiden tegenover elkaar aan het korte eind.

Jonathan Swift, De reizen van Gulliver. Oorspr. Gulliver's Travels (1726), vertaald door Paul Syrier, Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam 2004, 352 blz.