Citaat van de week: It is better to be beautiful than to be good. But on the other hand, it is better to be good than to be ugly. (Oscar Wilde)
50 jaar Woodstock: love, peace, rain & drugs
Schrijver(s) Bukszpan, Bitoun, Assante e.a.
Gepubliceerd in NRC Handelsblad 28 juni 2019
Datum gepubliceerd 06-08-2019

 Het hoosde van de regen. Er was niet genoeg te eten, mensen graasden als een oudtestamentische sprinkhanenzwerm rauwe mais van de velden. Er waren veel te weinig toiletten voor de meer dan 400.000 bezoekers. De stroomkabels kwamen bloot te liggen. Onder het gewicht van de geluidsapparatuur van de Grateful Dead dreigde het enorme podium in de blubber weg te zakken, als ze de microfoon of de snaar van een gitaar aanraakten kregen ze een schok, blauwe vonken sloegen er af.

 

‘Miserably uncomfortable’ noemde een Vietnamveteraan het festival in zijn verslag voor een underground blaadje. Alle toegangswegen waren verstopt, artiesten werden met een helikopter ingevlogen. The Who weigerde op te treden als ze niet eerst 15.000 dollar cash kregen en toen ze eindelijk speelden sloeg Pete Towshend vlak voor zonsopgang met zijn gitaar de ‘yippie’ Abbie Hoffman van het podium omdat die de microfoon greep voor een politieke boodschap. Elliott Cahn van de band Sha Na Na moest aan het eind van het festival op. Overal, herinnerde hij zich, ‘stonk het naar modder en stront.’

 

En toch werd Woodstock het meest succesvolle popfestival ooit.

 

De vraag is daarom niet, aldus Daniel Bukszpan in het overzichtelijke Woodstock. 50 Years of Peace and Music, wat er mis ging, maar wat er goed ging en waarom. Een van de organisatoren, Michael Lang, geloofde dat wanneer je mensen ‘in de natuur bracht, iedereen zich wel zou gedragen en zich van zijn beste kant zou laten zien.’ En het klopte in zoverre dat de landelijke omgeving aan de randen van het festival ruimte bood. Het terrein was slechts ten dele omheind, de organisatoren hadden er wegens tijdgebrek de voorkeur aan gegeven het podium af te bouwen en niet de hekken, zodat er alleen in de voorverkoop 130.000 kaartjes waren verkocht. Daarna was het gratis.

 

Het improvisatievermogen van de betrokkenen was heroïsch. Omdat Sweetwater het terrein niet op tijd kon bereiken werd Richie Havens gevraagd het festival te openen. Toen hij uitgespeeld was bleek Sweetwater nog steeds niet klaar zodat Havens weer het podium werd opgeduwd, telkens opnieuw. Na het spelen van een paar Beatlessongs wist hij het ook niet meer en begon aan een uitgesponnen, almaar meeslepender jamsessie waarin alleen nog het woord ‘freedom’ klonk. De sfeer zat erin.

 

De volgende dag werd Country Joe op vergelijkbare manier het podium op gehesen omdat de band van Santana nog niet compleet was. Een paar uur later probeerden roadies het toneel weer droog te krijgen en vroegen ze John Sebastian de stilte op te vullen. Hij stond helemaal niet op het programma, maar leende een Harmony Sovereign gitaar en zorgde voor een van de succesvolste optredens van het festival.

 

Zo ging het ook met de voedselvoorziening. Michael Lang had een commune van honderd mensen uit Nieuw Mexico laten invliegen, inclusief vijftien Navajo Indianen, maar ze dienden tegelijk de freak out tent voor geflipte drugsgebruikers te bemannen. Niemand had op deze aantallen gerekend. Omwonenden begonnen sandwiches te smeren en fruit en melk te brengen en het leger wierp met helikopters voedselpakketten af.

 

Dat het niet totaal uit de hand liep lag niet alleen aan de landelijke omgeving en het indrukwekkende improvisatievermogen maar misschien ook aan het soort drugs: cannabis en psychedelica als LSD. Al snel kwamen, aldus Julien Bitoun in het tekstueel wel erg beknopte The Story of Woodstock, snellere, meer agressieve drugs als cocaïne op. Volgens het standaardverhaal eindigden de sixties met het festival op het Altamont racecircuit aan het eind van hetzelfde jaar. Daar ontstonden massale vechtpartijen en werd een jongen met een vuurwapen bij het optreden van de Rolling Stones door Hell’s Angels doodgestoken.

 

Tegelijk wordt Woodstock vaak niet als een eindpunt, maar juist als het begin van een tijdperk gezien. Jongeren eisten hun plaats op met seks, drugs en rock-’n-roll, en net als in het Parijs van mei ’68, kwam in dit perspectief de verbeelding aan de macht. In Woodstock ’69 zet de journalist en muziekrecensent Ernesto Assante uiteen hoe vooral aan de Westkust de tegencultuur opbloeide. Denk aan de beat generation met schrijvers als William Burroughs en Jack Kerouac en cultfiguren als Allen Ginsberg. In Europa zongen de Beatles op Sgt Pepper’s Lonely Heartclub Band (1967) de lof van LSD in Lucy in the Sky with Diamonds. Links en rechts werden openluchtconcerten en festivals georganiseerd, van het nu langstlopende popfestival ter wereld, Pinkpop in Limburg, tot het Californische festival in Monterey (1968) met 75.000 bezoekers. Daar traden Jefferson Airplane, Canned Heat, Country Joe, The Grateful Dead, Janis Joplin en The Who ook al op. Jimmy Hendrix sloot er zijn optreden af met het in de fik steken van zijn gitaar, waarna hij hem aan gort sloeg.

 

Toch werd Woodstock de Moeder aller Festivals. Het ging de geschiedenis in als de geboorte van een nieuwe manier van leven, al valt daar wel iets op af te dingen. Want die revolutie bestond hoofdzakelijk uit het afstoffen van romantische clichés, of het nu ging om het verheerlijken van de jeugd (‘to be young was very heaven!’ dichtte Wordsworth in 1805), om het gedweep met de natuur of om de hang naar spiritualiteit. De wereld waar de romantici naar verlangden verschilde niet veel van waar de blowende en slikkende meute van het driedaagse popfestival op uit was, die van Timothy Leary’s gevleugelde turn on, tune in, drop out.

 

De drugscultuur zelf stond ook niet zo ver van de romantiek af als de afstand in tijd doet vermoeden. Niet voor niets werden Thomas de Quincey’s Confessions of an English Opium Eater (1821) in de jaren zestig weer herdrukt. Het drugsgebruik van Coleridge (1772-1834) was legendarisch en de dichter Baudelaire had, zo schreef hij wat later, soms het idee dat hij verdampte en dan ‘schrijf je aan je pijp het vreemde vermogen toe jou te roken.’ Verder was het de romantiek die de muziek op de troon hees. Muziek werd de belangrijkste kunstvorm, omdat zij het meest direct het innerlijk tot uitdrukking bracht en in volksmuziek de gevoelens van de gemeenschap wist te vertolken. Zelfs in de losse kleding en het lange haar lijken de romantici op de popartiesten van de sixties.

 

 

Dat Woodstock het festival aller festivals werd was niet alleen te danken aan de massaliteit, aan de explosie van talentvolle musici en aan de wonderbaarlijk goede afloop. De belangrijkste oorzaak voor zijn mythische status is prozaïscher. Op 24 maart 1970 verscheen de meer dan drie uur durende documentaire Woodstock. 3 Days of Peace & Music van Michael Wadleigh. De Oscar-winnende film werd een succes en zou de organisatoren uiteindelijk van hun schulden verlossen. Na anderhalve maand kwam de driedubbelelpee uit, een selectie van anderhalf uur, met het jaar erop een vervolg met nog meer live-opnames van het festival. Zij creëerden de mythe.

 

De film legde het accent op de zachte kant van het festival, en registreerde liever de psychedelica, de hippies en folk music dan de snoeiharde, op het doorweekte publiek in beukende rock. Wadleighs legendarische documentaire maakte het festival tot een wereldgebeurtenis, zou Carlos Santana later opmerken. Voor hemzelf werd Woodstock door de film ‘een trampoline’ die hem ‘tot grote hoogte lanceerde.’ Niet alle artiesten hadden het belang van beeld en opnames meteen door. John Foggerty van Creedence Clearwater Revival vond het eigen optreden te slecht, wilde niet in de film en zal die muzikale integriteit nog wel eens hebben betreurd. Een onbekende band als Canned Heat werd door de opnames plotseling wereldberoemd.

 

In deze tijd bloeide de muziekindustrie door de toenemende welvaart razendsnel op. In de westerse wereld had elke jonge babyboomer inmiddels een platenspeler of cassetterecorder, popmuziek was niet alleen meer op de radio maar kwam ook steeds vaker op tv. Met de verbluffende groei van muziekopnames in de erop volgende decennia, via walkman en CD-speler tot aan de nu onophoudelijk beschikbare live gestreamde muziek, zou je misschien verwachten dat de optredens zelf minder belangrijk werden. Het tegendeel blijkt het geval.

 

Massale popconcerten en hun registraties blijven succesvol en festivals zijn overal. In Nederland is het seizoen al weer volop aan de gang, afgetrapt door het eveneens 50-jarig Pinkpop. Nederland springt er met zo’n zevenhonderd festivals en een omzet van 1,4 miljard euro uit, ook door de hoge kwaliteit van de organisatie. Nog steeds is de wonderlijke cocktail van muziek, jeugdige spontaniteit, spirituele hang om in de massa op te gaan, drugs en de open lucht van de natuur inclusief hoosbuien, kortom: het festivalgevoel voor velen onweerstaanbaar.

 

In die beleving is Woodstock het oerbeeld. Daarom zijn er net als bij eerdere jubilea weer concerten, theateroptredens, films en herdenkingsboeken. Zulke boeken laten soms zien dat denken en herdenken niet hetzelfde is, zoals bij Jason Lauré’s fotoboek dat meelift op Woodstocks vijftigste verjaardag om het eigen werk te etaleren. Misschien is de film van Wadleigh inmiddels van grotere betekenis bij het herdenken dan wat er na al die jaren nog op schrift aan wordt toegevoegd, want daar is weinig nieuws meer te beleven.

 

Assante, Bitoun en Bukzspan bieden alle drie een rijk geïllustreerd overzicht en doen hiermee over wat Michael Wadleigh destijds met beeld deed: het scheppen en in stand houden van een historisch moment waar de landelijke pers nauwelijks acht op sloeg. Het was nog geen maand nadat de eerste mens een voet op de maan zette, ruim een week na de bloedige moord op Sharon Tate door een doorgedraaide hippie en sekteleider en met dagelijkse doden in Vietnam.

 

Wadleigh bracht ons de rauwe kreten van de een jaar later aan een overdosis gestorven Janis Joplin. En Joe Cockers onthechte With a little help from my friends inclusief zijn verdwaasde gepluk op de luchtgitaar. En de onvergetelijke beelden van Jimi Hendrix, aan het eind van het festival, als negentig procent van het publiek reeds volledig gesloopt is vertrokken. Het is maandag negen uur in de ochtend. Terwijl de rest van Amerika aan een nieuwe werkweek begint met kantoorhumor, koffie en doughnuts, stemt hij zijn witte Stratocaster. De muziek is oorverdovend. De instrumenten zijn beroerd gestemd maar bij de Star-Spangled Banner doet het er allemaal niet meer toe. Hendrix jaagt het geluid van mitrailleurs, bommen en straaljagers door de geluidsinstallatie om vervolgens in de roes van Purple Haze weer even op adem te komen.

 

Op de achtergrond zien we ondertussen hoe een aanhoudende stroom mensen zich langs de met vuilnis bezaaide modderpoelen naar huis sleept, groggy als verdoofde nijlpaarden door het slik, de toekomst in, hun alledaags bestaan. Tegen die achtergrond is de muziek van Jimi Hendrix een surrealistische bevrijding, een geweldig slotakkoord dat begon met het eindeloos uitgesponnen freedom van Richie Havens. Een jaar later was hij dood.

 

Ernesto Assante, Woodstock ’69. De rock-‘n-rollrevolutie. Fontaine Uitgevers, 224 blz.; Julien Bitoun, 50 Years. The Story of Woodstock live. Cassell, 240 blz.; Daniel Bukszpan, Woodstock. 50 Years of Peace and Music. Charlesbridge Publishing, 194 blz.; Jason Lauré (photographs) and Ettagale Blauer, Woodstock 1969. The Lasting Impact of the Couterculture. Skyhorse Publishing, 138 blz.