Citaat van de week: It is better to be beautiful than to be good. But on the other hand, it is better to be good than to be ugly. (Oscar Wilde)
Diderot: Minnaressen, geldnood en vriendschap met de tsarina
Schrijver(s) Andrew Curran, Robert Zaretsky
Gepubliceerd in NRC Handelsblad 17 mei 2019
Datum gepubliceerd 23-05-2019

Als Diderot (1713-1784) iets belangrijk vond, dan was het wel zijn nalatenschap. Roem bij het nageslacht is voor een filosoof hetzelfde als de hemel voor gelovigen, meende hij, dus daar moest je rekening mee houden. De door hem bewonderde beeldhouwer Falconet vond dat een beetje hoogdravend. Zodra mijn werk het atelier uit wordt gereden, aldus de kunstenaar, vergeet ik het. Hij vergeleek zijn beelden met rijpe peren, die vanzelf van de boom het gebak in vallen.

 

Toch had Diderot wel enige reden tot zorg. Zo werd het werk van die andere twee helden van de Verlichting, Voltaire en Rousseau, in de erop volgende eeuwen volop gedrukt, gelezen en besproken. De Franse Revolutie bracht hun stoffelijk overschot onder massale belangstelling naar het Pantheon, waar ze ondanks hun wederzijdse afkeer nog altijd recht tegenover elkaar liggen. Maar Diderots reputatie bleef lang marginaal, ook al was hij de drijvende kracht achter de Encyclopédie, dat fenomenale boegbeeld van de Verlichting in 28 delen.

 

Er is inmiddels wel een monument voor hem in het Pantheon, alleen is er geen graf. Dat moet zich ergens in de Saint Roch-kerk van Parijs bevinden en ik heb er wel eens naar gezocht. De dienstdoende priester ontkende glashard dat de beruchte atheïst er lag, omdat ze bij de Revolutie alles overhoop hadden gehaald. Ik geloofde er niets van, maar nu blijkt uit de mooie proloog van Andrew Currans biografie van Diderot dat dit verhaal waarschijnlijk toch klopt. De Saint Roch werd herhaaldelijk geplunderd, de graven werden leeggeroofd, menselijke resten bleven op de kerkvloer achter en kwamen vermoedelijk elders in een massagraf terecht.

 

Met Diderots schriftelijke nalatenschap stond het er aanvankelijk niet veel beter voor. Een deel van zijn werk verscheen anoniem of onder andere naam. Veel durfde hij tijdens zijn leven niet te publiceren nadat hij in 1749 een tijd gevangen had gezeten in het kasteel van Vincennes, nu het eindpunt van metrolijn 1, net buiten de ring van Parijs.

 

Diderot werd, terecht, verdacht van twee schandaalverwekkende anonieme publicaties, de Pensées philosophiques (1746) en Les bijoux indiscrets (1748). Dat laatste boek was een roman waarin een magische ring de vrouwelijke geslachtsdelen van een gezelschap over hun meest intieme ervaringen doet fluisteren, met alle hilarische gevolgen vandien. Het boek stond vol toespelingen op tijdgenoten en verscheen een jaar of tien geleden in het Nederlands onder de geniale titel De losplippige sieraden. Maar het was de Lettre sur les aveugles (Brief over de blinden, 1749) die Diderot de das om deed. Niet alleen omdat hij een paar invloedrijke mensen ridiculiseerde, ook vanwege de volgens Curran besmettelijke atheïstische ‘koorts’ van het boek.

 

Eerst ontkende Diderot alles maar door het strenge gevangenisregime bond hij snel in, zodat hij meer bewegingsvrijheid kreeg om te werken en bezoek te ontvangen. Toen hij na enkele maanden aan de politiecommissaris Berryer beloofde nooit meer zulke aanstootgevende geschriften te publiceren werd hij vrijgelaten. Bedenk wel, voegde de commissaris hem toe, dat het nu om maanden ging; de volgende keer zouden het decennia zijn.

 

De rest van zijn leven manoevreerde Diderot dus behoedzaam in de onvoorspelbare tussenruimte van wat de censuur gedoogde en anonimiteit en maskerade mogelijk maakten. Zo steunde de machtige minnares van Lodewijk XV, Madame de Pompadour de Encyclopédie tegen aanvallen van de Jezuïeten en was de repressie soms minder meedogenloos dan werd gesuggereerd. Het hoofd van de censuur bijvoorbeeld was de met Diderot en de Verlichting sympathiserende Malesherbes. Toen die opdracht kreeg het werk van Diderot te confisqueren reed in de voorafgaande nacht een koets voor om de talloze artikelen en manuscripten in veiligheid te brengen. En wel bij Malesherbes thuis.

 

Het leven van Diderot heeft net als dat van Voltaire en van Rousseau veel weg van een schelmenroman, en die schelmenromans zijn een feest om te lezen. Over hoe hij uit een karmelietenklooster ontsnapte waarin zijn vader hem had laten opsluiten om zijn huwelijk met Nanette te verhinderen. Of over zijn minnaressen, zijn ruzie met Rousseau en de drinkgelagen en nachtelijke discussies in de salon van Baron d’Holbach, eerder beschreven in Het verdorven genootschap van Philippe Blom.

 

Curran bespreekt ook Diderots bezoek aan Catherina de Grote in Sint Petersburg  (1773-1774), waar Robert Zaretsky een apart boek aan wijdt. De tsarina was in 1762 met een staatsgreep aan de macht gekomen nadat haar echtgenoot, Peter III was vermoord, of, zoals zij niet lang daarna schreef, gestorven aan een fatale bloeding door aambeien. Net als Frederik de Grote was zij een aanhanger van de Franse Verlichting en nodigde zij schrijvers en denkers uit aan haar hof. Maar Sint Petersburg was ver en je wist niet precies wat je daar te wachten stond.

 

De filosoof en wiskundige D’Alembert had voor de uitnodiging bedankt omdat hij, naar eigen zeggen, last van aambeien had en de behandeling ervan in Rusland nogal gevaarlijk leek. Diderot kon echter niet weigeren. Want Catharina was bijzonder genereus geweest en had, toen hij in geldnood raakte, zijn bibliotheek gekocht. De boeken hoefde hij pas na zijn dood te leveren en als beheerder ervan werd hem ook nog eens een enorm jaargeld ter beschikking gesteld. Toen de pruikloze, in simpel zwart gekelede filosoof eindelijk in het verre en ijskoude Sint Petersburg aankwam kreeg hij drie tot vier keer per week toegang tot de keizerin. Beide boeken vermelden de beroemde anekdote waarin hij zo bevlogen met haar discusieerde dat hij haar zoals bij zijn vrienden steeds op het been timmerde. Catharina liet een salontafeltje tussen hen inzetten.

 

Onder haar bewind was er geen censuur en ze schafte een aantal wreedheden in het rechtssysteem af. Zaretsky’s Catherine & Diderot suggereert dat de beweeglijke denker en briljante causeur niet veel invloed op haar beleid heeft uitgeoefend. Ze vond zelf ook dat het lot van de lijfeigenen verbeterd moest worden maar veel veranderde er niet. Diderot stelde voor de hoofdstad naar Moskou te verplaatsen en toen dat niet mogelijk bleek dan maar Sint Petersburg tot een soort Parijs om te vormen door handwerkslieden uit heel Rusland erheen te brengen, het soort volksverplaatsing waar Stalin zich later graag van bediende.

 

Op de terugweg logeerde Diderot een tijd bij zijn dierbare vriend Golitsyn, Russisch ambassadeur in Den Haag. Daar reflecteerde hij op zijn ervaringen met Catharina en toen hij de tsarina liet weten ook haar politieke geschrift, de Nakaz, onder handen te nemen drukte Golitsyn, waarschijnlijk op haar instigatie, het manuscript achterover. Gelukkig beschikte de levenslang bespionneerde en door de wol geverfde Diderot al over een kopie.

 

Het grootste deel van Diderots werk verscheen postuum: de rijke en ontroerende briefwisseling met zijn minnares Sophie Volland, dialogen, opstellen, verhalen en verhandelingen over kunst, religie, politiek, theater en moraal. Ze zijn geestig, schunnig, verrassend, vreemd en visionair. In die nalatenschap lezen we hoe vooruitstrevend hij dacht over vrouwen, over seksuele identiteit, over kolonialisme en slavernij, en hoe onbevangen hij erop los droomde alsof de achttiende eeuw een springplank was naar het paradijs.

 

 

Andrew S. Curran, Diderot and the Art of Thinking Freely. Other Press, 520 blz.; Robert Zaretsky, Catherine & Diderot. The Empress, The Philosopher and the Fate of the Enlightenment. Harvard University Press, 258 blz.