Citaat van de week: It is better to be beautiful than to be good. But on the other hand, it is better to be good than to be ugly. (Oscar Wilde)
Friedrich Nietzsche: nalatenschap
Schrijver(s) Nietzsche
Gepubliceerd in de Volkskrant 27 april 2007
Datum gepubliceerd 27-04-2007

Thema van de Maand van de Filosofie in 2007 was Het redelijke beest en er is geen droever zinnebeeld van dat thema dan de filosoof Friedrich Nietzsche. Wat was er geworden van de ooit zo fijnzinnige professor uit Bazel, de favoriete huisvriend van de componist Richard Wagner? Hoe kwam de knappe filoloog en classicus uiteindelijk in een huurkamer in Turijn terecht, waar hij de familie Fino ’s nachts wakker hield door als een opgejaagd heavy metal bandlid met zijn ellebogen op de piano te beuken onder het slaken van woeste kreten? Wat maakte de scherpzinnigste cultuurcriticus van de negentiende eeuw tot de verwarde geest die verbeten zijn brieven en papiergeld verscheurde en koning Umberto I van Italië schreef dat hij ‘dinsdag naar Rome zou komen’ om hem en de Heilige Vader te spreken, ondertekend met De Gekruisigde?

 

            Het medisch perspectief op Nietzsches ziektegeschiedenis is lang toegedekt omdat het hier waarschijnlijk een vorm van krankzinnigheid betrof als gevolg van een jong opgelopen syfilis. Dat perspectief is maar van betrekkelijk belang, net als de al te romantische tegenhanger ervan die, in de voetsporen van Nietzsche zelf, de ondraaglijke diepzinnigheid van zijn gedachten aanwijst als veroorzaker van deze menselijke catastrofe.

 

Tegelijk kan het spanningsveld tussen deze twee invalshoeken niet over het hoofd worden gezien. Want tussen die polen van lichamelijke ziekte en vergeestelijkte zendingsdrang vinden we een worsteling op papier met de grote vragen uit de filosofie en uit het leven, een gevecht dat ondanks de vaak opgeblazen toon ook vandaag nog meeslepend en indrukwekkend is.

 

Nietzsches rücksichtloos zoeken naar waarden, naar waar het om gaat in het leven, in de politiek en in de wetenschap, het doet wel eens gedateerd aan, het irriteert en het is hysterisch. Maar het is tegelijk onontkoombaar, fascinerend en vol inzichten die zich makkelijk laten vertalen naar menige hedendaagse discussie in de krant en op tv. Het voortdurend kantelen en tegen het licht houden van wat waar heet te zijn, en wat gezond, zet nog altijd tot nadenken aan. En wie langzamerhand genoeg krijgt van de arrogantie in de zich overal opdringende reclame, van managerstaal, smakeloos populisme en van een hoos aan gratuite opinies kan bij Nietzsche zijn hart ophalen. Alleen daarom al is de voltooiing van de Nederlandse vertaling van Nietzsches werk met zeven vuistdikke delen nagelaten fragmenten een verheugende gebeurtenis.

 

Je kunt somberen over de intellectuele woestenij in dit land en over de armoedige lectuur die in steeds hoger tempo door de boekhandel wordt gejaagd, maar wie dat doet let misschien niet goed op. In de filosofie althans verschijnen vertalingen van grote werken als nooit tevoren. Afgelopen maand Poppers Open samenleving, eerder reeds het hoofdwerk van filosofen als John Rawls en Charles Taylor en verder de laatste tien jaar een reeks schitterende vertalingen van Duitse denkers: de belangrijkste boeken van Kant, Schopenhauer, Heidegger; verder Freud in elf delen en niet te vergeten de Nietzsche-bibliotheek van de Arbeiderspers.

 

Wie greep wil krijgen op het werk van Nietzsche doet er goed aan diens tegenstanders in kaart te brengen. Het zijn er vier en vanaf 1880 spoken ze altijd rond. Met die delen Freud in het achterhoofd is goed vol te houden dat alle vier een vaderrol vervullen waar Nietzsche een bittere oedipale strijd mee voert. De eerste tegenstander ligt het dichtst bij zijn echte vader, een dominee die stierf toen Nietzsche vier was. Dus dat Nietzsche de man die hem op die manier in de steek had gelaten bevocht door het christendom, Jezus en God te bestrijden is volgens het boekje, al moet je je ervoor hoeden die levenslange haat tegen het christendom louter te reduceren tot een psychologisch geduid verlies in Nietzsches jeugd.

 

Zijn tweede vijand is Schopenhauer, de aanvankelijk uitzinnig bewonderde filosoof, wiens verleidelijke pessimisme hij echter niet meer verdragen kon. Schopenhauers leer van een allesbeheersende redeloze en dus kwaadaardige oerwil sloeg bij Nietzsche om in de door hem juist bezongen Wille zur Macht. Nietzsche haatte Schopenhauers ethiek van het medelijden en zijn op het boeddhisme geënte raad het leven te verzaken. Weliswaar dichtte hij in de herfst van 1884 nog: ‘Wat hij leerde heeft afgedaan, / Wat hij leefde, zal blijven staan: / Zie hem aan! / Hij was niemands onderdaan!’

 

Maar uit dezelfde tijd stamt ook reeds een aantekening waarin hij Schopenhauer en Wagner Duitsers noemt die ‘ons in het verderf storten’ – ‘degeneraties van het ras.’ Waarmee we de derde vijand in het vizier krijgen: Richard Wagner, een andere held die hij reserveloos omarmd had. Ooit kocht Nietzsche zijden ondergoed voor de meester omdat ‘als je een God kiest je hem ook dient op te tuigen.’ Op deze vaderfiguur projecteert hij later al zijn afschuw van Duitsland, van metafysica, moraal en decadentie. Het levert vlak voor zijn ineenstorting een ongeëvenaard polemisch pamflet op: Nietzsche contra Wagner, waarin Nietzsches stilistische vermogens nog één keer samenkomen: ‘Is Wagner überhaupt een mens? Is hij niet eerder een ziekte? Hij maakt alles wat hij aanraakt ziek. Wagner heeft het effect van overmatig alcoholgebruik. Hij stompt af, hij ontregelt het maagslijm.’

 

Het vierde spook waar Nietzsche niet onderuit komt is Plato, of eigenlijk diens woordvoerder Socrates, die een groter werkelijkheidsgehalte aan de wereld van de Ideeën toekent dan aan het echte leven waar het Nietzsche steeds om gaat. Nietzsche ontmaskert telkens de filosofen en priesters die ons een hiernamaals of een andere wereld voortoveren en met metafysica en religie macht uitoefenen die de werkelijk vrije geest verhindert te leven. Nietzsche stelt daar de aristocratische ‘overmens’ tegenover, zoals de Übermensch in deze vertaling is gaan heten.

Het is lastig de Nachlass, zoals filosofen deze Nagelaten fragmenten noemen, te lezen zonder de context van het door Nietzsche gepubliceerde werk te kennen. Ze zijn nog fragmentarischer en bestaan voor een deel uit lijstjes, kreten, halve zinnen, flarden: een doos puzzelstukjes op de grond gemikt en de helft ervan op zijn kop. Tegelijk heeft deze Nachlass een enorme geschiedenis en een grote reputatie.

 

De geschiedenis is beschamend. Toen Nietzsche definitief in waanzin wegzonk ontfermde zijn zuster Elisabeth zich niet alleen over de patiënt, maar ook over het werk. Zij had een gespannen verhouding met haar broer, die haar minachtte om haar onbegrip, bemoeizucht en antisemitisme. Elisabeth vervalste brieven die iets negatiefs over haar beweerden en redigeerde het nagelaten werk naar eigen goeddunken. Nietzsches filosofie zou zijn afgestevend op de leer van de Wille zur Macht, een soort nieuwe metafysica van het recht van de sterkste. Zij werd oud genoeg om Nietzsches erfenis binnen te loodsen bij de nationaal-socialisten. Berucht is de foto waarop we zien hoe de tachtigjarige vrouw Hitler bij het Nietzsche Archief ontvangt.

 

Een vroegere medewerker van dat archief, Karl Schlechta, stelde in de jaren vijftig de vervalsingen aan de orde en vanaf de jaren zestig verscheen een volledige, betrouwbare Nietzsche-editie dankzij twee Italianen, Colli en Montinari. Voor de Nachlass rangschikten ze al Nietzsches aantekeningen in strikt chronologische volgorde en dat is de uitgave die nu ook in het Nederlands verschijnt.

 

De grote reputatie van de Nachlass heeft met deze geschiedenis te maken. Juist omdat niet duidelijk was waar Nietzsches denken op uit kwam, en omdat hij in zijn eigen werk telkens vooruitloopt op het nieuwe evangelie dat hij wil verkondigen, voelde menigeen zich uitgenodigd als profeet van die leer op te treden of hierin de kern van Nietzsches werk aan te wijzen. Martin Heidegger bijvoorbeeld betoogde dat in de Nachlass de werkelijke filosofie van Nietzsche te vinden was: ‘De eigenlijke filosofie blijft als “nalatenschap” achter.’ En zo zijn talloze discussies gevoerd over wat die Nagelaten fragmenten nu eigenlijk behelzen.

 

Want behalve het ‘eigenlijke hoofdwerk’ dat Elisabeth Nietzsche, Heidegger en vele anderen er van maakten door het zich toe te eigenen, is het ook een laboratorium genoemd. Hier werden de formuleringen voor het eerst beproefd, en uit deze notities werd het krachtige mengsel van Nietzsche boeken gedestilleerd. En heb je oog voor Nietzsche artistieke kant, die eerder uit zijn flitsende stijl blijkt dan uit zijn zelden overrompelende poëzie, dan zou je het zijn atelier kunnen noemen. Er staat een ontzagwekkende hoeveelheid ideeën op doek gespannen, en wij weten hoe het er ongeveer uit zou zien als het de werkplaats had verlaten.

 

Je kunt de Nagelaten fragmenten bovendien als een schaduwbiografie opvatten. Met behulp van de kroniek achterin elk deel, en analoog aan het officiële werk, zie je hier hoe Nietzsche reageert op zijn hooggestemde platoonse verhouding met Lou Salomé, op zijn breuk met Wagner, op zijn migraine en zenuwaanvallen, de hartelijke en vaak ook gespannen verhouding tot zijn kennissen en bewonderaars. De Nachlass is, specifieker, een encephalogram, dat de hersenactiviteit van al deze heftige cultuurfilosofie en rusteloze kritiek in kaart brengt.

 

Of een vuilnisvat, waarin we koortsachtig neuzen. Zoals de familie Fino naar verscheurde bankbiljetten zocht tussen de snippers in Nietzsches prullenmand, zo hopen wij op perspectieven of fragmenten die iets aan zijn werk toevoegen. En die zijn er, getuige beroemde opstellen als Over waarheid en leugen in buiten-morele zin, die laten zien hoe nauw moraal, macht en waarheid volgens Nietzsche verweven zijn.

 

De uitstekend vertaalde Nagelaten fragmenten zijn niet het eigenlijke hoofdwerk, maar wel een laboratorium, een atelier, een biografie, een encephalogram, een vuilnisvat en een schatkist. Als we niet oppassen kunnen de zeven grijze delen echter evenzeer een grafzerk worden op het werk van Nietzsche, dat frisser en levendiger is dan deze overvolle compilatie. Toch vergis je je dan in dit materiaal, dat je namelijk hoe dan ook niet kunt lezen zonder je er actief toe te verhouden, te kiezen en te verwerpen. Daarom zijn de Nagelaten fragmenten een prachtig monument voor een denker waaraan je je vaak ergert maar die, als je eenmaal kennis met hem hebt gemaakt, nooit meer uit je gedachten verdwijnt.

 

Friedrich Nietzsche: Nagelaten fragmenten (7 delen). Vertaling Michel van Nieuwstadt en Mark Wildschut, SUN, ca. 4300 pagina’s.