Citaat van de week: How instructive / is a star! / It can teach us / from afar / just how small / the others are
Paralipomena. Opstellen over kunst, filosofie en literatuur
auteur Maarten Doorman
uitgever Bert Bakker
gepubliceerd 2007
ISBN 9789035131644

Paralipomena zijn dingen waar je aan voorbijgaat of die je weglaat. In deze bundel staat de filosoof, criticus en dichter Maarten Doorman bij een paar van die dingen stil. Bij de toekomst van de beeldhouwkunst, bij een overeenkomst tussen Mozart en Lou Reed, bij de haast religieuze vooroordelen tegen de canon, bij een paar achttiende-eeuwse romans, bij engagement in de kunst, bij Wittgenstein en de poëzie, bij straatnamen, fotografie en de stijl van Nietzsche. Sommige kwesties duiken telkens op: de verhouding tussen filosofie en literatuur, het belang van geschiedenis, de naweeën van het postmodernisme en de paradoxen van de romantische orde waaraan we niet kunnen ontsnappen.
Paralipomena is een goedgeschreven verzameling hedendaagse oneigentijdse beschouwingen over lezen, leven en kunst.
Dit boek is te koop bij de boekhandel of via bol.com

Lees hier de recensie van Arnold Heumakers in NRC Handelsblad:

 

Deze dingen hoeft u niet te slikken

Maarten Doorman: Paralipomena. Opstellen over kunst, filosofie en literatuur. Bert Bakker. 240 blz. € 21,95.

Iemand die zijn essaybundel Paralipomena noemt, moet wel een filosoof zijn. En een bewonderaar van Schopenhauer, van wie de omvangrijke bundel Parerga und Paralipomena kennen. Zo omvangrijk is de bundel ‘opstellen over kunst, filosofie en literatuur’ van Maarten Doorman niet, maar bij hem ontbreken dan ook de ‘Parerga’. Paralipomena zijn, volgens het woordenboek, toevoegsels bij eerdere wijsgerige geschriften. En dat blijkt in dit geval te kloppen. Hoewel een verantwoording (en vermelding van plek en datum van eerdere publicatie, bijvoorbeeld in Boeken) ontbreekt, zullen de meeste stukken in deze bundel zijn ontstaan in het kielzog van Doormans vorige boeken Steeds mooier. Over vooruitgang in de kunst (1994) en De romantische orde (2004).

De vooruitgang speelt een belangrijke rol in het mooie opstel over de modernistische architect Adolf Loos. Voor Loos gold het ornament als een ‘misdaad’, met als resultaat al die afschuwelijke moderne blokkendozen, maar Doorman laat zien dat deze purist in zijn eigen ontwerpen soms bijna een postmodernist kon zijn. Ook komen we Arthur Danto meer dan eens tegen. In Steeds mooier ontwikkelde Doorman zijn idee over vooruitgang in de kunst vooral tegen Danto’s stelling dat de moderne kunst, door steeds meer over zichzelf na te denken, tenslotte ‘filosofie’ was geworden en daarmee haar ‘einde’ had bereikt. Nu horen we niet meer zoveel over vooruitgang en lijkt hij het met Danto eens te zijn dat in elk geval een hoofdstuk in de moderne kunstgeschiedenis is afgesloten.

Dat laatste verklaart de aandacht die in Paralipomena aan het postmodernisme wordt besteed, al ontpopt Doorman zich geenszins als een aanhanger laat staan een gelovige. Liever zet hij zo’n begrip naar zijn hand. Zo zien we hem in een sympathiserend stuk Jean-Pierre Rawie verdedigen als een postmodern dichter, en dat tegen twee postmoderne critici (Jos Joosten en Thomas Vaessens) die zelf als verkapte modernisten worden weggezet. Uiteindelijk blijkt Rawie echter allereerst een romantisch dichter te zijn.

Cross-over

Zo belanden we in het voetspoor van De romantische orde. De romantiek blijkt ook in deze nieuwe bundel alomtegenwoordig, bijvoorbeeld als Doorman schrijft over de verbeelding of over het grensoverschrijdende karakter (‘cross- over’) van veel hedendaagse kunst. Alleraardigst is verder het opstel, waarin de romantische herkomst van onze landschapsbeleving wordt geanalyseerd. Dankzij de romantische schilders hebben we oog gekregen voor het landschap als ‘natuur’. De natuur imiteert de kunst, noemde Oscar Wilde dat ooit en diverse kunsthistorici (zoals we bij Doorman kunnen lezen) zeiden het hem na.

Toch zijn er, naast de vele reminiscenties aan Doormans vorige boeken, ook nog een paar onafhankelijke thema’s aan te wijzen. Een daarvan is de verhouding tussen kunst en filosofie, wat niet hoeft te verbazen bij een auteur die filosoof en dichter tegelijk is. Maar Doorman wil de zaken graag goed uit elkaar houden, want, lezen we al op een van de eerste bladzijden, ‘de filosofie is de kunst een wolf’. Poëzie en abstractie zijn ‘water en vuur’, heet het in een ander opstel, waarbij Doorman overigens het samengaan van filosofie en poëzie in de romantiek wat al te zeer bagatelliseert. Juist de enorme rangverhoging van de poëzie in de romantiek heeft een filosofische oorsprong. Zelfs Kant moest bij de esthetica aankloppen om de samenhang van zijn filosofie te waarborgen.

Goedkoop

Een ander terugkerend thema is de relatie tussen kunst en wereld of literatuur en leven. Doorman relativeert – terecht – de autonomie van de kunst en de onmaatschappelijke consequenties daarvan. In een reactie op Hans Goedkoop (die van de literatuur een belang voor het echte leven had verlangd) schrijft Doorman dat dat ‘echte leven’ niet bestaat, behalve als romantische mythe. Pas door het verlangen naar echtheid is de notie van onechtheid ontstaan, meent Doorman, die helaas vergeet te verklaren waaruit dan dat verlangen naar echtheid is ontstaan. Het wordt nu met de ‘erfzonde’ vergeleken, wat me voor een historisch fenomeen toch wat overdreven lijkt, evenals de vergelijking van de romantische orde met een ‘gevangenis’.

Of zou Doorman dat alleen maar hebben geschreven met het oog op ontsnapping? In die richting wijzen de steevast zeer lovende stukken over 18de-eeuwse schrijvers als Defoe, Swift, Sterne en Diderot, die aan de romantiek voorafgaan, al hebben sommigen van hen wel aan de ideologische wording daarvan bijgedragen. Maar hoe zit het dan met zijn pleidooi, in een stuk over de podiumkunsten, voor het herstel van de ‘illusie’ op de Bühne, iets wat op het eerste gezicht toch niet goed valt te rijmen met de relativering van de voor de romantiek zo fundamentele esthetische autonomie? De theatrale illusie versterkt juist het verschil met de werkelijkheid buiten de toneelzaal.

‘Een essayist is iemand die je dingen vertelt die je niet hoeft te slikken’, schrijft Doorman. Dat getuigt van zelfkennis, want zo is het ook met de opstellen in deze bundel: ze zijn een genoegen om te lezen, niet alleen omdat ze goed geschreven zijn, maar ook omdat ze over belangrijke kwesties gaan en opvattingen verkondigen die zowel instemming als tegenspraak uitlokken. Een betere combinatie om de lezer zelf aan het denken te zetten bestaat niet